‘We hebben er weinig op geoefend, vertelt Daley Blind aan de Telegraaf. ‘Volgens mij kreeg ik de bal van Nigel de Jong. Ik keek op. Ik zag Robin vertrekken. Op dat moment dacht ik niet na, ik wilde de bal zo goed mogelijk afleveren.’ Aldus Blind over zijn wereldpass op Van Persie tijdens Het WK voetbal in 2014.
Uit: Ajax Showtime (www.ajaxshowtime.com/article/bijzaken-en-geruchten/79731/blind-over-wereldpass-zag-hem-gaan-.html)

 

 

 

Als een trainer zijn sporters een nieuwe vaardigheid wil aanleren, gebeurt dit vaak volgens de ‘Praatje, Plaatje, Daadje’ methode: de trainer legt uit hoe de vaardigheid uitgevoerd moet worden, doet het dan voor en laat daarna zijn sporters het doen. Het aanleren van een vaardigheid door uit te leggen welke bewegingen er (stap voor stap) gemaakt moeten worden, noemen ze ‘expliciet leren’. Het nadeel van expliciet leren is dat het veel werkgeheugen in beslag neemt. Een sporter heeft dit werkgeheugen echter ook nodig om informatie te verwerken, beslissingen te nemen en zijn acties te plannen.
Daarnaast blijkt dat sporters onder druk meer gaan nadenken over reeds geautomatiseerde bewegingen. Bijvoorbeeld een tennisser, die tijdens de wedstrijd ineens gaat nadenken over zijn service: hoe hoog hij de bal moet opgooien, hoe zijn achterzwaai moet zijn, hoe hij de bal moet raken. Hoe meer informatie ze expliciet gekregen hebben van de trainer tijdens het aanleren, hoe meer stof tot nadenken sporters hebben om tijdens de wedstrijd door te nemen. En dat komt de prestatie meestal niet ten goede. Om die redenen is het goed om ook impliciet (aan) te leren.
Er zijn verschillende methoden van impliciet leren, in deze blog worden er drie toegelicht, in de volgende blog lichten we nog vijf manieren toe.

• Analogie leren

Bij deze manier van leren wordt een alomvattende beeldspraak gebruikt om de taak (uitvoering) uit te leggen in plaats van alle bewegingen afzonderlijk op te sommen. Bijvoorbeeld bij een basketbalschot zeggen dat er geworpen dient te worden zoals de kop en hals van een zwaan in plaats van de exacte bewegingen in de elleboog, pols en vingers. Of bij een uittrap bij voetbal kinderen vertellen dat ze moeten verspreiden als een bommetje dat explodeert in plaats van ieder kind een plek op het veld aan wijzen, waar ze moeten gaan staan.

• Observerend Leren

Jonge dieren leren door de te kopiëren. Door hun ouders na te doen vergroten ze de kans om te overleven. Ook baby’s en kinderen doen hun ouders na. Zo leren we bijvoorbeeld lopen en praten. Sporters leren ook door te zien en na te doen, zonder daarbij expliciet te vertellen wat je aan het doen bent. Door de spiegelneuronen in onze hersenen, weet het lichaam als het ware wat te doen en gaat dit dan (proberen) uit te voeren. Het bekende ‘Monkey See, Monkey do’.

• Differentieel leren

Bij differentieel leren zorg je als trainer voor veel variatie, waardoor de hersenen op meerdere manieren geprikkeld worden om het doel te bereiken. Er bestaat namelijk niet zoiets als de ideale beweging en het kan ook zijn dat je een bepaalde beweging in de wedstrijd pas voor het eerst maakt, zoals ook blijkt uit bovenstaande quote van Daley Blind. Variatie kan aangebracht worden in de omgeving (bijvoorbeeld door op verschillende ondergronden te trainen, of met verschillende ballen, sticks of rackets), bij het individu (door dezelfde training te doen in vermoeide toestand of op heel een ander tijdstip) en in de taak (bijvoorbeeld door sporters op verschillende posities te laten spelen, of verschillende taken te geven)